Het landschap van vervreemding: van alexithymie tot Fuchs’ ipseity

Vervreemding wordt in de psychologie en psychiatrie op allerlei manieren beschreven. Soms gaat het om vervreemding van gevoelens, zoals bij alexithymie. Soms om een veranderde verhouding tot het eigen lichaam of de eigen persoon, zoals bij depersonalisatie. En soms om een verandering in de manier waarop de wereld als geheel wordt ervaren.
Binnen de fenomenologische psychopathologie wordt vervreemding bovendien beschreven als een mogelijke voorloper van veel verdergaande veranderingen in het zelf- en werkelijkheidsgevoel, zoals die bij schizofrenie kunnen voorkomen. Deze verschijnselen worden meestal vanuit afzonderlijke onderzoekstradities bekeken. Toch lijkt er iets te winnen wanneer we ze niet alleen naast elkaar zetten, maar proberen te begrijpen als verschillende gebieden binnen een groter landschap: een landschap waarin de vanzelfsprekende verbinding met de eigen ervaring, het lichaam, andere mensen en de gedeelde wereld op uiteenlopende manieren kan veranderen.
Dat landschap hoeft niet te worden voorgesteld als één rechte lijn waarop iemand steeds verder van ‘normaal’ naar ‘psychotisch’ beweegt. Juist de verschillen tussen de verschijnselen maken zo’n voorstelling te eenvoudig.
- Iemand kan gedurende langere tijd nauwelijks woorden kunnen vinden voor zijn emoties, zonder dat zijn werkelijkheidsbesef verandert.
- Een ander kan in perioden van sterke angst een uitgesproken gevoel van derealisatie ervaren, en tegelijk heel goed weten dat de wereld feitelijk niet veranderd is.
- Weer iemand kan al veel fundamenteler vervreemd raken van het vanzelfsprekende gevoel zichzelf te zijn.
De interessante vraag is daarom niet alleen hoeveel vervreemding iemand ervaart, maar vooral: waarvan raakt iemand vervreemd, en wat gebeurt er vervolgens met de verhouding tot zichzelf en de wereld?
Wanneer de eigen ervaring minder vanzelfsprekend wordt
Alexithymie vormt een interessant beginpunt, juist omdat daar zichtbaar wordt dat vervreemding niet hoeft te betekenen dat iemand weinig ervaart. Het woord verwijst letterlijk naar het ontbreken van woorden voor gevoelens, maar de ervaring kan veel verder gaan dan eenvoudigweg een beperkte emotionele woordenschat.
Iemand kan zeer duidelijk merken dát er iets gevoeld wordt, en tegelijkertijd geen enkele bestaande emotionele categorie werkelijk passend vinden. Een emotiewiel kan dan wel helpen om systematisch te zoeken — is het gevoel activerend of juist remmend, prettig of onprettig, dichter bij angst of bij verdriet? — maar zelfs zulke basale onderscheidingen kunnen kunstmatig aanvoelen. De ervaring is aanwezig, maar lijkt zich niet vanzelfsprekend te voegen naar de taal waarin mensen doorgaans over gevoelens spreken.
Daarmee ontstaat een bijzondere vorm van afstand tot de eigen ervaring. Het gevoel is niet verdwenen, maar de gebruikelijke verbinding tussen voelen, herkennen en benoemen functioneert minder vanzelfsprekend.
Tegelijkertijd laat juist alexithymie zien dat vervreemding nooit volledig individueel hoeft te blijven. Wanneer iemand ontdekt dat anderen precies de ervaring herkennen dat alle beschikbare woorden ‘net niet kloppen’, ontstaat er alsnog iets gedeelds. Het oorspronkelijke gevoel is misschien nog steeds moeilijk te benoemen, maar de onmogelijkheid om het te benoemen blijkt zelf herkenbaar. Dat lijkt een klein verschil, maar relationeel gezien verandert er veel: een ervaring die eerst buiten de gedeelde menselijke taal leek te vallen, blijkt toch ergens binnen een gemeenschappelijke ervaringswereld te bestaan.
Bij dissociatie, depersonalisatie en derealisatie verschuift die vervreemding naar andere lagen van de ervaring. Het eigen lichaam kan vreemd of afstandelijk gaan voelen, iemand kan zichzelf bijna als toeschouwer ervaren, of de omgeving kan haar vertrouwde werkelijkheidskarakter verliezen.
Dat laatste is moeilijk uit te leggen wanneer iemand het nooit heeft meegemaakt, juist omdat er uiterlijk niets veranderd hoeft te zijn. De kamer is dezelfde kamer, de mensen zijn dezelfde mensen, en iemand weet rationeel nog steeds waar hij zich bevindt. Wat verandert, is de manier waarop die werkelijkheid wordt beleefd. Het vanzelfsprekende gevoel dat deze wereld mijn wereld is, dat ik hierin aanwezig ben en dat alles op de gebruikelijke manier werkelijk voelt, kan tijdelijk of langduriger verzwakken.
Het verlies van vanzelfsprekendheid
Thomas Fuchs beschrijft binnen de fenomenologische psychopathologie een veel verdergaande vorm van dit proces bij schizofrenie. Daarbij richt hij zich niet in de eerste plaats op wanen en hallucinaties, maar op veranderingen die daar soms al jaren aan voorafgaan.
Volgens deze benadering kan het vanzelfsprekende, prereflexieve gevoel van aanwezig zijn in het eigen lichaam en in de wereld geleidelijk verstoord raken. Er ontstaat een vermindering van wat Fuchs ipseity of basale zelfaffectie noemt: het onmiddellijke gevoel dat mijn waarnemingen, gedachten, bewegingen en ervaringen van mij zijn, zonder dat ik daar eerst over hoef na te denken.
Juist dat prereflexieve karakter is belangrijk. In het gewone dagelijks leven hoeven we nauwelijks na te denken over de processen waarmee we ons tot de wereld verhouden.
- Wanneer iemand loopt, hoeft diegene niet iedere afzonderlijke beweging van zijn benen bewust te sturen.
- Wanneer iemand spreekt, hoeft hij niet ieder woord los te produceren en vervolgens te controleren of het wel onderdeel is van zijn eigen gedachtegang.
- Wanneer iemand iets aanraakt, staat de hand niet centraal in de ervaring; de hand functioneert als een vanzelfsprekend medium waardoor het aangeraakte voorwerp voelbaar wordt.
Fuchs gebruikt hiervoor het fenomenologische begrip van de intentional arc: waarnemingen, bewegingen, gedachten en lichamelijke sensaties vormen normaal gesproken een geïntegreerd medium waardoor iemand op de wereld gericht kan zijn.
Wanneer die integratie minder vanzelfsprekend wordt, kunnen juist de onderdelen die normaal op de achtergrond blijven naar voren komen. Een beweging voelt niet meer eenvoudig als ik loop, maar wordt iets waarop iemand moet letten: zet ik mijn voet nu goed neer, stuur ik deze beweging eigenlijk zelf? Een gedachte is niet meer alleen de betekenis waarop iemand gericht is, maar kan bijna een afzonderlijk object worden dat door het hoofd beweegt.
Fuchs beschrijft hoe dergelijke processen bij schizofrenie steeds verder kunnen vervreemden en fragmenteren. Wat eerst slechts vreemd of onnatuurlijk voelt, kan uiteindelijk als iets externs worden ervaren. Hij onderscheidt daarbij een ontwikkeling van vervreemding van de vanzelfsprekende intentionaliteit, via fragmentatie en objectivering, naar externalisering en uiteindelijk — in sommige gevallen — het verdwijnen van het ‘alsof’-karakter waardoor een psychotische overtuiging ontstaat.
Belangrijk is dat hij deze stadia niet als een noodzakelijk stappenplan beschrijft; fasen kunnen worden overgeslagen en niet iedereen die vroege vormen van vervreemding ervaart ontwikkelt een psychose.
Juist daarom is psychose beter te begrijpen als één mogelijke route binnen het landschap van vervreemding dan als het vanzelfsprekende eindpunt ervan. Iemand kan op allerlei manieren afstand ervaren tot gedachten, gevoelens, lichaam of wereld zonder dat de grens tussen zelf en ander, of tussen innerlijke ervaring en externe werkelijkheid, verloren gaat.
Bij Fuchs wordt de overgang naar een ego-stoornis pas veel later beschreven, wanneer niet alleen de ervaring vreemd geworden is, maar bijvoorbeeld ook het auteurschap van eigen gedachten of bewegingen wordt aangetast.
Het verschil tussen mijn gedachte voelt vreemd en deze gedachte wordt door iemand anders in mij geplaatst is in die zin fundamenteel.
Vervreemding tussen mensen
Er is daarnaast nog een andere laag die minder gemakkelijk in één psychopathologisch begrip te vangen is: vervreemding kan ook ontstaan in de verhouding tot andere mensen. Mensen zijn niet alleen individuen die ieder vanuit hun eigen hoofd naar de wereld kijken. Een groot deel van ons gevoel voor werkelijkheid ontstaat juist doordat we voortdurend onze ervaringen op elkaar afstemmen. We kijken naar elkaar, reageren op elkaar, herkennen emoties en bedoelingen, en leren gaandeweg dat onze eigen ervaring zich binnen een gedeelde menselijke wereld bevindt.
Empathie kan daarbij bijna ruimtelijk worden voorgesteld. Wanneer iemand werkelijk probeert een ander te begrijpen, komt hij als het ware naast die persoon staan. Dat betekent niet dat hij vanaf dat moment hetzelfde hoeft te denken. Integendeel: hij kan juist vanuit die positie iets nieuws laten zien. Maar daarvoor moet hij eerst begrijpen waar de ander staat en vanuit welke ervaring diegene naar de situatie kijkt.
Het verschil met oppervlakkig begrijpen zit vaak in kleine nuances. Iemand kan alle feiten van een verhaal correct hebben gehoord en toch een reactie geven waaruit onmiddellijk blijkt dat hij de ervaringspositie van de ander niet heeft begrepen.
Wanneer dat een enkele keer gebeurt, is dat weinig bijzonder — mensen begrijpen elkaar voortdurend verkeerd. Wanneer het echter chronisch wordt — wanneer iemand steeds opnieuw probeert iets van zijn innerlijke ervaring over te brengen en telkens merkt dat de reactie van de ander vanaf een heel andere plek komt — kan het zoeken naar begrip zelf pijnlijk worden. Op een gegeven moment kan het dan beschermend worden om minder te proberen. Waarom steeds opnieuw de moeite doen om iets te vertalen wanneer de vertaling toch niet aankomt? Waarom jezelf voortdurend vergelijken met andere mensen wanneer die vergelijking vooral benadrukt hoe groot de afstand is?
Daarmee kan iets ontstaan wat op het eerste gezicht juist bescherming biedt. De behoefte om door anderen begrepen te worden kan minder voelbaar worden, evenals bepaalde vormen van jaloezie, gemis of dagelijkse eenzaamheid. Dat betekent niet noodzakelijk dat de behoefte aan verbinding verdwenen is. Ze kan juist op een veel fundamenteler niveau blijven bestaan, als een existentiële ervaring van buiten de menselijke wereld staan.
De gewone eenzaamheid — ik zou iemand willen spreken — kan dan plaatsmaken voor iets dat moeilijker te verwoorden is: er is niemand die werkelijk kan staan waar ik sta.
Matthew Ratcliffe gebruikt voor het begrijpen van zeer afwijkende ervaringswerelden het begrip radical empathy. Het uitgangspunt daarvan is dat gewone empathie vaak steunt op een grote hoeveelheid reeds gedeelde vanzelfsprekendheid. We kunnen verdriet, teleurstelling of schaamte bij een ander begrijpen omdat we vanuit onze eigen ervaring ongeveer weten wat zulke toestanden betekenen. Bij radicalere veranderingen van de ervaringswereld werkt dat minder goed. Dan moet iemand tijdelijk bereid zijn zijn eigen vanzelfsprekende aannames op te schorten, en eerst proberen te begrijpen hoe de wereld zich vanuit de positie van de ander voordoet.
Daarmee krijgt het beeld van ‘naast iemand gaan staan’ meer betekenis. Het gaat niet alleen om aardig luisteren of bevestigen wat iemand zegt. Het gaat om het serieus nemen van de plaats van waaruit iemand spreekt. Pas wanneer die positie enigszins begrepen wordt, kan er werkelijk gezamenlijk naar de wereld worden gekeken.
Herkenning als eerste beweging terug
Wanneer vervreemding op deze manier wordt bekeken, wordt ook begrijpelijk waarom herkenning zo’n belangrijke beweging kan zijn. Herkenning herstelt niet onmiddellijk wat er verloren is geraakt. Iemand met alexithymie vindt niet ineens woorden voor zijn gevoelens omdat een ander dezelfde ervaring kent. Iemand met derealisatie ervaart de wereld niet automatisch weer als vertrouwd omdat iemand zegt dat hij derealisatie begrijpt.
Toch verandert er iets wezenlijks: een ervaring die volledig individueel leek, blijkt gedeeld te kunnen worden.
Dat kan bijzonder belangrijk zijn bij ervaringen die moeilijk uit te leggen zijn. Juist daar kan ervaringsdeskundigheid een andere functie hebben dan professionele kennis. Een ervaringsdeskundige begrijpt de ander niet automatisch beter, en twee ogenschijnlijk vergelijkbare ervaringen kunnen nog steeds sterk van elkaar verschillen. Maar soms is de afstand die overbrugd moet worden kleiner. Wanneer iemand zegt dat geen enkel emotiewoord klopt, hoeft een ander die dat zelf heeft meegemaakt misschien niet eerst te vertalen wat daarmee bedoeld wordt. De herkenning kan directer plaatsvinden.
Daarmee ontstaat een mogelijke beweging die dwars door verschillende vormen van vervreemding heen loopt:
Van vervreemding naar herkenning, en van herkenning naar verbinding.
Die beweging moet niet worden opgevat als een vast herstelmodel waarin iedereen dezelfde stadia doorloopt. Ze beschrijft eerder een richting:
- Vervreemding betekent dat een ervaring steeds minder vanzelfsprekend verbonden is met andere delen van het zelf of met de gedeelde wereld.
- Herkenning betekent dat ergens opnieuw overeenkomst of aansluiting wordt gevonden.
- Verbinding ontstaat wanneer die aansluiting zich verder kan ontwikkelen.
Ook de terugweg hoeft daarom niet voor iedereen dezelfde te zijn. Bij de één begint opnieuw aankoppelen bij het lichaam, bij een ander bij taal voor gevoelens, bij weer iemand bij betekenis, sociale verbondenheid of het hervinden van een gevoel van identiteit. Het interessante is misschien juist dat deze verschillende routes iets gemeenschappelijks hebben: er wordt iets hersteld van een vanzelfsprekende relatie die eerder was verzwakt — tussen voelen en benoemen, tussen lichaam en zelf, tussen gedachte en degene die denkt, tussen individu en andere mensen, of tussen iemand en de wereld waarin hij leeft.
Een landschap in plaats van een verzameling diagnoses
Veel onderdelen van dit landschap zijn afzonderlijk al uitgebreid onderzocht. Er bestaat literatuur over alexithymie, dissociatie, depersonalisatie, derealisatie, traumagerelateerde processen, anomalous self-experiences, embodiment, ipseity, intersubjectiviteit, psychose, sociale uitsluiting en persoonlijk herstel.
Wat veel minder vanzelfsprekend is, is om deze gebieden vanuit één grotere vraag te bekijken:
Hoe verandert de aansluiting van een mens op zijn eigen ervaring en op de gedeelde wereld?
Zo’n benadering hoeft de verschillen tussen deze verschijnselen niet uit te wissen. Het zou juist problematisch zijn om alexithymie, dissociatie en schizofrenie eenvoudigweg als varianten van hetzelfde proces te behandelen. De mechanismen, ernst, ontwikkeling en klinische betekenis kunnen sterk verschillen. Maar tussen die verschillen door verschijnt wel een gemeenschappelijk thema: sommige psychische ervaringen lijken te maken te hebben met het minder vanzelfsprekend worden van verbindingen die normaal nauwelijks opvallen omdat ze vanzelf functioneren.
Misschien is dat uiteindelijk wat vervreemding zo moeilijk te beschrijven maakt. We merken veel van onze verbindingen pas op wanneer ze niet meer vanzelfsprekend zijn.
- Zolang een gevoel onmiddellijk herkenbaar is, denken we nauwelijks na over de verbinding tussen lichamelijke gewaarwording, emotie en taal.
- Zolang we ons lichaam vanzelfsprekend als onszelf ervaren, hoeven we die verhouding niet te onderzoeken.
- Zolang we ervan uitgaan dat andere mensen in grote lijnen in dezelfde werkelijkheid leven, valt ook die gedeelde wereld nauwelijks op.
Vervreemding maakt juist die normaal onzichtbare verbindingen zichtbaar doordat ze minder vanzelfsprekend worden.
Daarom is misschien niet alleen de vraag interessant wat iemand ‘heeft’, maar ook waar de aansluiting veranderd is.
- Waar is een ervaring vreemd geworden?
- Waar is iets losser komen te staan van de rest?
- Welke verbindingen zijn nog intact gebleven?
- En waar ontstaat opnieuw iets van herkenning?
Vanuit die vragen verschijnt vervreemding niet langer alleen als symptoom of voorstadium van een stoornis, maar als een menselijk ervaringslandschap waarin verschillende wegen mogelijk zijn. Sommige mensen bewegen er maar kort doorheen, anderen blijven er lang in rondlopen en weer anderen raken steeds verder verwijderd van wat ooit vanzelfsprekend was.
Maar hetzelfde landschap bevat ook bewegingen in de andere richting: het hervinden van woorden, van het lichaam, van betekenis, van andere mensen — en uiteindelijk misschien weer van het gevoel dat de plek waar je staat deel uitmaakt van een gedeelde wereld.